siroop

mannelijk/vrouwelijk (de)/siˈrop/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. voeding, drinken (voeding) (drinken) dikke, zeer zoete vloeistof (want praktisch alleen uit suiker bestaand)
  2. drank gemaakt door bovenstaande vloeistof aan te lengen met water

Etymologie

* via Middelnederlands "siroop", "sirop" en middeleeuws Latijn "siropus" van "شراب" (šarāb) "drank"; in de betekenis van ‘dikke vloeistof’ aangetroffen vanaf 1240

Vertalingen

Engelssyrup
Spaansalmíbar, jarabe, jarabe de azúcar