sinjoor

mannelijk (de)/sɪˈɲor/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verouderd (verouderd) heer van stand
    Zodra zij mij voorbij passeerdeIk haar straks reverentie deed,En rookte juist een pijp tabak.Zij zei: sinjoor zende mij bonkes,Daarop zo schoot zij minnelonkesHaar bonkes aan mijn pijp ontstak.
  2. inwoner van Antwerpen
    Ik ben niet alleen een volbloed sinjoor, ik ben zelfs een Antwerps nationalist.

Etymologie

*van "señor" "heer"