sijs
mannelijk/vrouwelijk (de)/sɛis/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (zangvogels) kleine vink in Nederland wintergast, maar tegenwoordig broedt hij daar ook
zelfstandig naamwoord
- snaaks persoon, spotzieke grappenmaker
Etymologie
* Leenwoord uit het Nederduits, in de betekenis van ‘zangvogel’ voor het eerst aangetroffen in 1494
Vertalingen
Spaansverderón
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek