sigarettenrook

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de rook die bij het roken van een sigaret (of meer algemeen bij het verbranden van tabak) ontstaat
    Ik wilde coole coltruien dragen of pas gestreken overhemden van de wasserij om de hoek, abnormaal schoon moesten die ruiken; ik droomde ervan om naar de donkere clubs in de kelders van Greenwich Village te gaan waar je elkaar door de dichte sigarettenrook amper kon zien ...
    De rookmachine van het RIVM, waarin sigarettenrook wordt geanalyseerd