shovel

mannelijk (de)/ˈʃovəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. graafmachine op banden met een beweegbare laadschop die zowel kan graven als grond verplaatsen
    In de loodsen lopen nu honderden vreemden rond te snuffelen of er iets van hun gading bij is. Veilinghuis Troostwijk, de grootste in zijn soort in Europa, houdt een open kijkdag. Er worden 493 kavels aangeboden. Van een vijf jaar oude shovel die minimaal 25.000 euro moet opbrengen tot cementmolens van 10 euro.Renée Postma NRC 2 november 2012

Etymologie

* van "shovel", in de betekenis van ‘laadschop op rupsbanden’ voor het eerst aangetroffen in 1989

Vertalingen

DuitsRadlader
Zweedslastmaskin