seizoen

onzijdig (het)/sɛiˈzun/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. tijdrekening, eenheid (tijdrekening), (eenheid) elk van de vier periodes waarin het jaar verdeeld wordt, en gekenmerkt wordt door astronomische en klimatologische eigenschappen
  2. een jaarlijks terugkerende periode
    Ik geloof in de kracht van de natuur, in het wonder van de seizoenen, en de elementen die continu in beweging zijn.
  3. iets dat een keer per jaar een deel van het jaar duurt
    In het huidige seizoen komt, naast het liefdesgeluk van Gerda en Klaas, ook de nieuwe vlam van kapper Teun Föhn voorbij. Genoeg luchtige en vrolijke onderwerpen dus. ,,Over de schaduwkant van Urk willen we het juist niet hebben. Die kant komt in de media al zo vaak naar voren”, verklaarde Wong bij aanvang van het vierde seizoen.

Etymologie

*Afkomstig van het Franse woord saison.

Vertalingen

Engelsseason, season
Franssaison
DuitsJahreszeit, Saison
Spaansestación, estación del año, temporada
Italiaansstagione
Portugeesestação
Chinees季, 季节
Japans季節
Zweedsårstid