schroomvalligheid
vrouwelijk (de)/sxromˈvɑləxˌhɛit/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- de mate waarin men verlegen isHij leek me van nature zelfverzekerd, maar stelde zich met enige schroomvalligheid aan ons voor.
- iets wat getuigt van verlegenheid
Etymologie
* afleiding van schroomvallig
Vertalingen
Engelstimorousness, timidity
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek