schoonmoeder

vrouwelijk (de)/ˈsxonmudər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. familie (familie) de moeder van de huwelijkspartner
    Ik wist niet wat ik tegen mijn schoonmoeder moest zeggen, hoe ik haar mijn nederlaag kon bekennen.
    Als ik niet door mijn schoonmoeder mee op reis was gevraagd, had ik deze confrontatie waarschijnlijk nog dagen voor me uit kunnen schuiven, maar nu ontkom ik er niet aan.

Etymologie

*afgeleid van moeder

Vertalingen

Engelsmother-in-law
Fransbelle-mère
DuitsSchwiegermutter
Spaanssuegra
Italiaanssuocera
Portugeessogra
Russischсвекровь, тёща
Turkskaynana
Poolsteściowa
Zweedssvärmor