Schoof

mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. landbouw (landbouw) samengebonden hoeveelheid graanhalmen of andere afgemaaide gewassen
    De schoven staan op het veld te drogen.
  2. wiskunde (wiskunde) een wiskundige structuur die aan de open verzamelingen van een topologische ruimte bepaalde algebraïsche structuren koppelt, bijvoorbeeld abelse groepen, ringen of modulen

Etymologie

* (erfwoord): Middelnederlands scoef, scoof, scove, ontwikkeld uit Oergermaans *skauba-, misschien verwant met Servo-Kroatisch čȕpa ‘bos haren’. Evenals Oostenrijks-/Zuid-Duits Schaub ‘strobundel’, Fries skeaf ‘schoof’ en Deens skæv ‘bundel darmen van een geslacht dier’.

Vertalingen

Engelssheaf, sheaf
Fransgerbe
DuitsGarbe
Italiaansfascio
Russischсноп, пучок
Poolssnop