schoenmaker
mannelijk (de)/ˈsxumakər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (beroep) iemand die als vak schoenen repareertHij was schoenmaker, had later ook een schoenwinkel, maar maakte zich veel zorgen als hij weer eens in een machine moest investeren, dat woog zwaar. de Volkskrant Nathalie Huigsloot25 januari 2019 [https://www.volkskrant.nl/mensen/op-bezoek-bij-de-picasso-van-winschoten-soms-twijfel-ik-eraan-of-er-niet-meer-in-had-gezeten-~bfc03c89/ INTERVIEW JAN MULDER]
Etymologie
* van schoenmaken
Uitdrukkingen
- Schoenmaker, blijf bij je leest — Je moet je niet gaan bezighouden met zaken die je niet goed afgaan of waar je onvoldoende van weet, maar blijven doen wat je wèl goed kunt
Vertalingen
Engelsshoemaker
Franscordonnier
DuitsSchuster
Spaanszapatero
Portugeessapateiro
Poolsszewc
Deensskomager
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek