schnabbel

mannelijk (de)/'ʃnɑbəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. goed betaald werk dat men naast zijn gewone werk doet
    ‘Veel journalisten toonden zich de voorbije week ongenadige critici van de graaicultuur in de Wetstraat. En dat terwijl geen enkele beroepsgroep zo veel bijklust en schnabbelt als de gemiddelde journalist: als columnist, moderator, romancier, spreker, gastdocent, jurylid, auteur, panellid, noem maar op’ de Standaard VRIJDAG 24 FEBRUARI 2017
    ,,Ik had die avond nog een schnabbel. Maar mijn optreden was een succes. Ik maakte natuurlijk ook een hoop herrie.” Tubantia Arno Gelder 19-augustus-2017
    Fijen benadrukt in een toelichting dat dit niet een algemeen schnabbelverbod inhoudt. Zo gelden de regels niet voor freelancers. En wanneer een journalist kan aantonen dat de schnabbel zijn journalistieke werk niet schaadt, zou het eventueel toch mogen. Fijen: „Het is: nee, tenzij.” NRC Wilfred Takken 26 augustus 2015

Etymologie

* uit het Duits

Vertalingen

Engelsside job