schlemiel

mannelijk (de)/ʃləˈmil/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. scheldwoord (scheldwoord) sukkel, domkop, slappeling
    In deze klucht is koopman Jean een beetje een schlemiel die weliswaar meent dat hij alles onder controle heeft, maar in werkelijkheid de speelbal is van het bedrog door anderen.
    {{ouds
  2. informeel (informeel) stakker, stumper, pechvogel
    (...) is het prototype van de schlemiel, de stakker die eerder spotlust opwekt dan mededogen.

Etymologie

* van שלימיל (sjlemiel) "sukkel"; mogelijk van שלא מועיל (sjlo mohiel) "nutteloos", of vernoemd naar een Bijbelse personage Selumiël uit [https://www.statenvertaling.net/bijbel/nume/7.html Numeri 7:36-41], die in bepaalde tradities gelijkgesteld wordt aan de sloeber Zimr uit [https://www.statenvertaling.net/bijbel/nume/25.html Numeri 25:14], in de betekenis van ‘slappeling’ voor het eerst aangetroffen in 1906

Vertalingen

Engelsschlemiel
DuitsSchlemihl