schink

mannelijk (de)/sxɪŋk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. voeding, verouderd (voeding) (verouderd) vlees van de achterkant van een varken
    De gasten zetten zich aan het bruiloftsmaal: koffie met "stoet met schink" en "tweebakken met geel sukker".

Etymologie

*van Middelnederlands "schenke", cognaat met "Schinken", verwant met "schonk"