schildklier
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈsxɪltklir/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (anatomie) een (endocriene) klier gelegen aan de voorzijde van de hals, voor het strottenhoofd, tegen de luchtpijp aanOnder invloed van TSH maakt de schildklier schildklierhormoon aan.
Etymologie
* In de betekenis van ‘klier die tegen het schildvormige kaakbeen ligt’ voor het eerst aangetroffen in 1865
Vertalingen
Engelsthyroid
Fransthyroïde
DuitsSchilddrüse
Spaanstiroides, glándula tiroides
Italiaanstiroide
Portugeestiróide
Japans甲状腺
Poolstarczyca
Zweedssköldkörtel
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek