scheuren
/ˈsxørɛ(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) in twee of meer delen trekkenDe aardschok scheurde het huis in tweeën.Het huis werd door de aardschok in in tweeën gescheurd.
- (erga) langs een inkeping in twee of meer delen uiteenvallenDe muur scheurde van boven naar beneden.Die muur is lelijk gescheurd.
Etymologie
*afgeleid van scheur
Vertalingen
Engelstear, rip
Fransdéchirer
Duitsreißen
Spaansrasgar, romper
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek