scheuren

/ˈsxørɛ(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) in twee of meer delen trekken
    De aardschok scheurde het huis in tweeën.
    Het huis werd door de aardschok in in tweeën gescheurd.
  2. erga (erga) langs een inkeping in twee of meer delen uiteenvallen
    De muur scheurde van boven naar beneden.
    Die muur is lelijk gescheurd.

Etymologie

*afgeleid van scheur

Vertalingen

Engelstear, rip
Fransdéchirer
Duitsreißen
Spaansrasgar, romper