woorden
boek
Start
›
S
›
schemer
schemer
mannelijk (de)
/ˈsxemər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
de periode van verminderend licht tussen dag en nacht
Vertalingen
Engels
dusk, twilight
Frans
crépuscule
Duits
Zwielicht
Spaans
crepúsculo
Verwante woorden
schede
schedekramp
schedekrampen
schedel
schedelbasis
schedelbasisfracturen
schedelbasisfractuur
schedelbeen
schedelbeenderen
schedelboor
schedelboren
schedelboring
Bron:
OpenTaal
&
WikiWoordenboek
← schemeltje
schemerachtig →