schelp
mannelijk/vrouwelijk (de)/sxɛlp/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- uit kalk (calciet en/of aragoniet) en andere mineralen bestaand, gewoonlijk uitwendig skelet, dat door een weekdier (stam der ) wordt aangemaaktSchelpen op het strand.
- (kleur) de zachte kleur van schelpen
- (anatomie) het uitwendig deel van het menselijk oor
Etymologie
* In de betekenis van ‘schaal (van weekdier)’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287
Uitdrukkingen
- In zijn schulp ( of schelp) kruipen — Stoett-2041 [http://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01 www.dbnl.org]
Vertalingen
Engelsshell
DuitsSchale
Spaansconcha
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek