scheikunde

vrouwelijk (de)/ˈsxɛikʏndə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. wetenschap (wetenschap) wetenschap die zich bezig houdt met de studie van de samenstelling en de bouw van de stoffen, de chemische veranderingen die plaats vinden onder bepaalde omstandigheden en de wetmatigheden die daaruit voort vloeien
    Jarno studeerde scheikunde en is docent natuurkunde op een middelbare school in Capelle aan den IJssel.
  2. onderwijs (onderwijs) schoolvak waarin de samenstelling en de bouw van de stoffen, de chemische veranderingen die plaats vinden onder bepaalde omstandigheden en de wetmatigheden die daaruit voort vloeien worden behandeld
    Van alle havo-leerlingen doet ongeveer 65 procent eindexamen in het vak geschiedenis. Bij het vwo is dit 50 procent. Geschiedenis is bij deze schoolniveaus bij twee van de vier bovenbouwprofielen een verplicht vak. Als we de kernvakken (Engels, Nederlands en wiskunde) buiten beschouwing laten is geschiedenis daarmee, samen met scheikunde, het vak dat het stevigst in deze profielen verankerd is.

Etymologie

*, leenvertaling van verouderd "Scheidekunst", in de betekenis van ‘chemie’ voor het eerst aangetroffen in 1772

Vertalingen

Engelschemistry
Franschimie
DuitsChemie
Spaansquímica
Italiaanschimica
Portugeesquímica
Japans化学, かがく, kagaku
Turkskimya
Poolschemia
Zweedskemi
Deenskemi