scheiden

/ˈsxɛidə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) in afzondering brengen
    In deze machine wordt het waardevolle erts gescheiden van de rest van het opgegraven gesteente.
    Het probleem was echter dat de boom meer dan vier meter boven een kolkende rivier hing en ik totaal geen houvast zou hebben tijdens het overbruggen van de zes meters die me van de overkant scheidden.
  2. ov (ov) het samenzijn of de omgang van personen verbreken of verbroken houden
    Moeder en dochter werden gescheiden door de bouw van de Muur.
  3. erga, juridisch (erga), (juridisch) ~ van: een huwelijksband wettelijk verbreken
    Hij is al enige tijd van haar gescheiden.
  4. erga (erga) uiteengaan
    Wij scheidden in droefheid, maar zwegen van scheiden.
  5. refl (refl) zich ~: afsplitsen
    En daar scheidden zich hun wegen.
  6. met ontslag gaan
    De Franse president Macron heeft Élisabeth Borne uitgekozen als zijn nieuwe premier. Eerder vandaag bood scheidend premier Jean Castex zoals verwacht al zijn ontslag aan, om zo de weg vrij te maken voor Borne.

Etymologie

:: kėsti, skíesti

Uitdrukkingen

  • Bij het scheiden van de markt, leert men de kooplui kennenAls de zaken eenmaal gedaan zijn, leer je iemand pas echt kennen
  • De bokken van de schapen scheidenDe goeden apart van de kwaden zetten of een scheiding maken tussen goede en slechte mensen / Een scheiding maken tussen mannen en vrouwen / Een scheiding maken tussen mensen die iets durven of kunnen ten opzichte van anderen
  • Het kaf van het koren scheidenHet waardevolle van het waardeloze scheiden
  • Hier scheiden onze wegenHierna gaan we uit elkaar, we trekken vanaf nu niet langer samen op

Vertalingen

Spaansseparar, apartar