scheepslui

meervoud/ˈsxepslœy/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep, scheepvaart (beroep) (scheepvaart) mensen die deel uitmaken van de bemanning van een vaartuig
    De kleine Karel groeide op met schepen en scheepslui. Hij herkende schepen op grote afstand al. Als kleine jongen bracht hij de vrachtbrieven rond. Hij droomde ervan kapitein te worden.

Etymologie

*, met klinkerwisseling /ɪ/ in /e/