scheepskok

mannelijk (de)/ˈsxepskɔk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die de maaltijden op een schip verzorgt
    Joop Cornelissen werkte 41 jaar bij de marine, vooral als scheepskok. Hij heeft nog voor prins Bernhard gekookt toen die een bezoek bracht aan zijn schip. "Rijsttafel. Hij heeft twee keer opgeschept, hoorde ik achteraf", zegt Cornelissen. Na 41 dienstjaren bleek Cornelissen een half jaar geen recht op AOW te hebben.

Etymologie

* en klinkerwisseling i-ee (/ɪ/ - /e/)

Vertalingen

Engelsship's cook
DuitsSmutje
Russischкок