scheef

mannelijk/vrouwelijk (de)/sxeːf/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. (vlas- en hennepbewerking) stukje houtpijp, houtachtig afvaldeeltje van een vlas- of hennepstengel (in tegenstelling tot de vezels)

Etymologie

* (erfwoord): Middelnederlands scēve ‘klein stukje, schijfje, vlasafval’, ontwikkeld uit Oergermaans *skibō-, nevenvorm met korte stamklinker van *skībō- (waarvoor zie schijf). Evenals Nederduits Schääv, Duits Schäbe en Engels shive ‘schijfje, snede; scheef’.

Uitdrukkingen

  • iemand scheef aankijkenjaloers zijn op iemand
  • de lampt hangt scheef.het geld is op
  • er is geen pot zo scheef, of er past wel een deksel op.ook voor een minder mooi meisje is er een man te vinden)
  • schots en scheef zijn/staanongeordend door elkaar heen
  • zijn pruik staat scheef.hij is gehumeurd
  • zo scheef als een kraberg scheef

Vertalingen

Engelscrooked, shive
Fransde travers, oblique, chènevotte
Duitsschief, Schä­be
Spaansoblicuo, sesgado, torcido
Italiaansstorto, di traverso, obliquo
Poolspaździerze
Zweedsskev, skävor