schaven

/xxxx/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) gladmaken door middel van een schaaf
    Kun je dat even voor mij schaven?
  2. refl (refl) verwonden door wegscheuring van de huid
    Ik schaafde me gisteren.
  3. ov (ov) door middel van een schaaf in plakjes snijden
    Hij kon de kaas erg goed schaven.
  4. erga (erga) met een schaaf bezig zijn
  5. ov, figuurlijk (ov) (figuurlijk) verfijnen, elegant maken
    Die in dees gemeenschap burgerlijc, minlyc en schoon,Niet brengen dan roock, woorde schaven een ydel toon,Dat dese, segg' ick noch met herts treuren klachtigh,Der ghemeen vruchten zijn en blyven deelachtigh.

Etymologie

* In de betekenis van ‘gladmaken’ voor het eerst aangetroffen in 1240

Vertalingen

Engelsplane, graze
Fransraboter, écorcher
Duitshobeln, reiben, schürfen
Spaansacepillar, cepillar, érafler