schaven
/xxxx/
Betekenis
werkwoord
- (ov) gladmaken door middel van een schaafKun je dat even voor mij schaven?
- (refl) verwonden door wegscheuring van de huidIk schaafde me gisteren.
- (ov) door middel van een schaaf in plakjes snijdenHij kon de kaas erg goed schaven.
- (erga) met een schaaf bezig zijn
- (ov) (figuurlijk) verfijnen, elegant makenDie in dees gemeenschap burgerlijc, minlyc en schoon,Niet brengen dan roock, woorde schaven een ydel toon,Dat dese, segg' ick noch met herts treuren klachtigh,Der ghemeen vruchten zijn en blyven deelachtigh.
Etymologie
* In de betekenis van ‘gladmaken’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Vertalingen
Engelsplane, graze
Fransraboter, écorcher
Duitshobeln, reiben, schürfen
Spaansacepillar, cepillar, érafler
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek