schaveling
mannelijk (de)/ˈsxavəˌlɪŋ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- houtkrul, schaafkrul(len), schaafselDe knaap vertelde hoe (...) Ons-lieve-Vrouw aan 't spinnewiel ging zitten, kinderkleedjes aaneendriegde en liedjes zong terwijl Jezuke in de schavelingen speelde. (Stijn Streuvels, Kerstvertellingen 140)
Etymologie
* van schaven
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek