schat

mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verzamelde rijkdom
    De zeerovers hadden hun schat op een eiland begraven.
  2. iemand die gevoelens van liefde of vertedering opwekt
    Ach, wat een schat!
    Wanneer heeft u Isaac voor het eerst verleid?' 'Schat, het was precies andersom.
    ' Het is een schat van een meid, die Joy, maar ze heeft wel duidelijke begrenzing nodig.

Etymologie

* In de betekenis van ‘waardevol bezit’ voor het eerst aangetroffen in 1240

Vertalingen

Engelstreasure, darling, cutie
Franstrésor, chéri, chérie
DuitsSchatz, Tresor
Spaanstesoro
Italiaanstesoro
Portugeestesouro
Russischсокровище
Chinees珍寶, 珍宝, 寶藏
Japans宝, たから, 宝物
Koreaans보물, 보배
Arabischثروة
Poolsskarb
Zweedsskatt
Deensskat