schapenstal

mannelijk (de)/ˈsxapə(n)ˌstɑl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. landbouw, bouwkunde (landbouw) (bouwkunde) verblijf voor schapen die als kleinvee worden gehouden
    Die heidevelden werden kortgehouden door schapen, die ’s nachts op stal stonden. De schapenstallen werden bedekt met heideplaggen, die met de schapenpoep een vruchtbaar mestmengsel vormden voor op de akkers.
    Echt lamsvlees, dat wil zeggen vlees van lammeren die niet ouder zijn dan pakweg acht, negen maanden, is juist erg mager en ruikt in de verste verte niet naar schapenstal.

Vertalingen

Engelssheepcote
Fransbergerie
DuitsSchafstall
Spaansredil, aprisco
Italiaansovile, pecorile
Portugeesredil, aprisco
Poolsowczarnia