schapenbout
mannelijk (de)/ˈsxapə(n)ˌbɑut/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (voeding) bovenste deel van voor- of achterpoot van een schaap () met het vlees dat daaraan vastzitEen kinderopera over een Turkse en een Nederlandse slagersfamilie die elkaar het leven zuur maken. Als er een wedstrijd uitgeschreven wordt voor de beste bereiding van een schapenbout willen ze allebei winnen.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek