schapenbout

mannelijk (de)/ˈsxapə(n)ˌbɑut/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. voeding (voeding) bovenste deel van voor- of achterpoot van een schaap () met het vlees dat daaraan vastzit
    Een kinderopera over een Turkse en een Nederlandse slagersfamilie die elkaar het leven zuur maken. Als er een wedstrijd uitgeschreven wordt voor de beste bereiding van een schapenbout willen ze allebei winnen.