schande
mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- iets wat bij het publiek minachting oproept, iets oneervolsDe schande was te groot.Het is geen schande iets voor je eigen taal te doen.' De adem stokte hem in de keel en tot zijn schande kon hij niet meer uit zijn woorden komen.
Etymologie
* Via het Middelnederlands van het Ohd. scanta. Oudere wortel in het Protogermaans: -scandō-/-skamdō- (waar ook schamen en schenden van zijn afgeleid). In de betekenis ‘oneer’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1201.
Uitdrukkingen
- Door schade en schande wordt men wijs — Men leert vooral van de dingen die eerder misgingen
- Iemand te schande maken — Zorgen dat iemand een slechte reputatie krijgt
Vertalingen
Engelsdisgrace, shame
Franshonte
DuitsSchande
Spaansdeshonor, vergüenza
Italiaansvergogna
Japans恥辱
Poolshańba
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek