schaken

/xxxx/

Betekenis

werkwoord
  1. spel, inerg (spel) (inerg) het schaakspel spelen
    Garry Kasparov was wereldkampioen schaken.
  2. ov (ov) ontvoeren (vooral m.b.t. vrouwen, in afgezwakte zin ook: een meisje inpalmen)
    Ze werd door hem geschaakt.

Etymologie

*afgeleid van schaak

Uitdrukkingen

  • Schaken op meerdere borden / op tien borden tegelijkTe maken hebben met meerdere kwesties tegelijk die op zichzelf niets met elkaar te maken hebben, maar op een bepaalde manier toch verknoopt zijn

Vertalingen

Spaansjugar al ajedrez, raptar