schacht

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈsxɑxt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. techniek (techniek) (holle) buis (koker)
  2. industrie (industrie) een gat dat in de grond gemaakt is om als bron te dienen voor water, olie, gas of andere vloeistoffen
    Het bedrijf had een schacht gemaakt om aan de olie te kunnen.
  3. deel van laars dat het been omgeeft
  4. nieuwe student, eerstejaars

Etymologie

* In de betekenis van ‘stok, kokervormig omhullend deel’ voor het eerst aangetroffen in 901

Vertalingen

Engelsshaft
Spaanscaña