schaatsen

onzijdig (het)/ˈsxatsə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg, wintersport (inerg) (wintersport) zich voortbewegen op schaatsen
    Doe jij veel aan schaatsen?
  2. erga (erga) zich op schaatsen ergens heenbewegen
    Hij was naar het dorp geschaatst.
zelfstandig naamwoord
  1. sport (sport) het zich als vermaak voortbewegen op schaatsen (al dan niet op ijs)

Vertalingen

Engelsskate
Franspatiner, patinage
Duitseislaufen, schlittschuhlaufen
Spaanspatinar, patinaje
Italiaanspattinaggio, pattinaggio sul ghiaccio
Portugeespatinar, patinagem
Japansスケート
Poolsjeździć na łyżwach
Zweedsåka skridsko