schaats

mannelijk/vrouwelijk (de)/sxats/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. sport, schoeisel (sport), (schoeisel) een ijzer dat onder de schoenen wordt gebonden of aan de schoenen is vastgemaakt, om zich daarmee over het ijs te verplaatsen
    Hij staat recht op zijn schaatsen.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘ijzeren voetsteun om over ijs te gaan’ voor het eerst aangetroffen in 1567

Uitdrukkingen

  • Een rare schaats rijdenZich vreemd of onbezonnen gedragen
  • Een scheve schaats rijdenEen misstap begaan

Vertalingen

Engelsice skate, skate
Franspatin
DuitsSchlittschuh
Spaanspatín
Russischконьки
Japansスケート
Poolsłyżwy
Zweedsskridsko
Deensskøjte