schaapskop

mannelijk (de)/ˈsxapskɔp/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. hoofd van een schaap (
    Geïsoleerde schapen die onder stress staan vinden het portret van een schaapskop veel geruststellender dan vergelijkbare beelden.
    De kok serveert gesmoorde lamsbout, gebraden schaapskop of ragout van varkenspootjes.
  2. scheldwoord (scheldwoord) dom of onnozel persoon{{citeer|web|citaat=
  3. bijnaam voor een inwoner van Dordrecht
    Maandagavond 17 februari kon men in het ontspanningsgebouw van de Victoriafabriek te Dordrecht het merkwaardige schouwspel zien van ruim honderd pijprokende heren die, onder de auspicien van de Federatie van Personeelsverenigingen te Dordrecht en Omstreken, de strijd om het lang roken hadden aangebonden. Voor velen was het - hoe vreemd het ook klinken moge - de eerste maal dat zij een pijp rookten. Dat is echter ook weer niet zó vreemd, want hebt u eigenlijk ooit eerder een pijprokende schaapskop gezien?