schaamteloosheid

vrouwelijk (de)/ˌsxamtəˈloshɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het schaamteloos zijn
    De schaamteloosheid van de toneelspeler was de oorzaak van zijn ondergang.
    Psychologisch gezien is hij een narcistische sociopaat, vandaar die onophoudelijke leugens en zijn complete schaamteloosheid. Dat laatste spreekt mensen aan(!)[https://www.nrc.nl/nieuws/2025/05/08/de-ideologische-scriptschrijvers-van-de-film-van-donald-trump-vormen-een-bont-anti-liberaal-gezelschap-a4892393 www.nrc.nl (8 mei 2025)]

Etymologie

* afgeleid van schaamteloos