schaamte

vrouwelijk (de)/'sxa:m.tə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een gevoel dat iemand de neiging geeft zich te verbergen voor anderen
    Het jammerlijk mislukken van zijn beloofde verbeteringen vervulde hem met schaamte.
    Het spel was, zoals zo vaak dit seizoen, niet om aan te zien. Maar wat maakte het uiteindelijk uit. De schaamte van een jaar geleden is uitgewist. Het publiek, dat bijkans gek werd van de spanning, juichte twee keer uitbundig. En dat was bij de 1-0 en 2-0 van Jong PSV. Tubantia Leon ten Voorde 22-04-19 [https://www.tubantia.nl/fc-twente/fc-twente-heeft-de-titel-binnen-na-remise~a4617da4/ FC Twente heeft de titel binnen na remise]
    'Toen ik je ontmoette, hield je je helemaal niet bezig met de Bijbel, God, schuldgevoelens, zonde en schaamte.

Etymologie

* van schamen

Vertalingen

Engelsshame
Franshonte
DuitsScham
Spaansvergüenza
Italiaansvergogna
Japans羞恥心
Poolswstyd
Zweedsskamkänsla