schaal

mannelijk/vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. voorwerp met open bovenzijde waar men iets kan inleggen
    Ze keek me kort aan, terwijl ze het metalen deksel van de schaal lichtte, waar een citroenschuimtaart onder bleek te zitten.
    Ik zag mijn hoofd als een lege schaal waarin ik elke dag een nieuwe vraag kon plaatsen, om er tijdens het lopen uren onafgebroken over na te denken.
  2. buitenkant van een ei of vrucht
  3. verhouding van de grootte tussen een model en een echt voorwerp
    Door de schaal van het huis leek het op het schilderij kleiner, en de bomen op de voorgrond droegen fruit dat er in werkelijkheid niet was.
    Op de schaal van een mensenleven is het klein leed, maar als metafoor vind ik het veelzeggend.
  4. bepaalde ijking op een grafiek, as of eenheid

Etymologie

* In de betekenis van ‘schil’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1174

Uitdrukkingen

  • Gouden appels op zilveren schalen zijniets is erg prachtig/goed/verstandig (verwoord)
  • Op grote (breede, ruime) schaalin ruime mate

Vertalingen

Engelsplatter, plate, shell
DuitsSchale, Schale