satiricus
mannelijk (de)/saˈtiriˌkʏs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- iemand die een ander belachelijk maakt op een grappig bedoelde manierEnkele maanden geleden maakte de minister van Justitie bekend dat er bijna 1800 zaken lopen, onder anderen tegen een hele rij politieke tegenstanders. Het is vooralsnog onduidelijk of de verzoeningsmaatregel ook geldt voor de buitenlandse gevallen, zoals bijvoorbeeld de gerechtelijke vervolging van de Duitse satiricus Jan Böhmermann wegens diens 'smaadgedicht'. Tubantia 10-01-17 [https://www.tubantia.nl/buitenland/erdogan-haalt-uit-naar-westen-geen-solidariteit-na-coup~a81f4fcd/ Erdogan haalt uit naar Westen: Geen solidariteit na coup]Hij richt zijn Tweets richting het Kees van der Staaij-poppetje dat sinds zondagavond op zijn telefoon 'leeft' dankzij de app Kamergotchi. Een nieuw spel dat uit het brein van televisie-satiricus Arjen Lubach en zijn redactie is ontsproten. Spelers van Kamergotchi krijgen een ei dat ze open moeten schudden. Tubantia Eric van der Vegt 20-02-17 [https://www.tubantia.nl/binnenland/sp-wethouder-scheldt-vies-kees-van-der-staaij-poppetje-uit-in-lubach-app~a8fa1319/ SP-wethouder scheldt 'vies' Kees van der Staaij-poppetje uit in Lubach-app]
Etymologie
* afleiding van satire
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek