satelliet
mannelijk (de)/ˌsatəˈlit/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (ruimtevaart) toestel dat in een baan om de aarde is gebrachtDeze satelliet wordt gebruikt voor communicatie.Vanaf 400 kilometer hoogte gaat de satelliet wolken, fijnstof, zonnestraling en warmtestraling meten.
- (astronomie) hemellichaam dat een baan beschrijft om een ander, groter hemellichaamDe vijf opvallende ringboogjes rond Neptunus worden in stand gehouden door de aantrekkingskracht van de kleine satelliet Galatea.
- (persoon) iemand die veel in de omgeving van een ander bevindt en zich sterk op die persoon richtZijn vriend, Frits van den Berghe, die eerst als satelliet aan zijn zijde stond, maakte een zelfde ontwikkeling door.
- (politiek) land dat zich in de invloedsfeer van een machtiger land bevindt en zich sterk op dat land richtZo is nu de Verenigde Staten de metropolis, die kapitaal (surplus) onttrekt aan zijn Latijns-Amerikaanse satellieten (aanvankelijk waren Spanje en Portugal de metropolis voor Latijns-Amerika; later werd het Engeland, dat al in de achttiende eeuw Portugal tot satelliet maakte en daarmee Brazilië tot indirecte kolonie).
Etymologie
**[2]-[4]: via "satellite", in de betekenis van ‘hemellichaam dat een ander begeleidt’ aangetroffen vanaf 1763
Vertalingen
Engelssatellite
Franssatellite
Spaanssatélite
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek