saoto

mannelijk (de)/saˈoto/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kookkunst (kookkunst) (Suriname) pittig gekruide vleessoep
    We zeiden dat als zijn vader uit Suriname kwam, hij ook een Surinamer was. Dat had nog nooit iemand tegen hem gezegd, zei Nick, en al helemaal niet met zoveel stelligheid. Hij had nooit saoto gegeten, dacht dat een mattenklopper een uit de mode geraakt handapparaat was en sprak minder Surinaams dan de gemiddelde Marokkaan.

Etymologie

*via "soto" van "草肚" (ts’ao-t’ō) "trijp, pens"