sandrak

onzijdig (het)/ˈsɑndrɑk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. geurige, lichtgeel doorschijnende hars, oorspronkelijk gewonnen uit de schors van de , een cipres die in Noordwest-Afrika groeit, later ook uit de Australische bomen behorend tot het geslacht
    Keesje had een sandrakdoosje eenige malen open en dichtgeschroefd en, na door het deksel te hebben geblazen, weer voor zich gezet, omdat hij voor die geradeerde vlek, bij rijpelijk nadenken, geen sandrak noodig had.

Etymologie

*via "sandaraque" van Latijn "sandaraca".Dit gaat oorspronkelijk terug op σανδαράκη (sandarákè) "realgar, roodgekleurd mineraal bestaand uit arseensulfide". De tegenwoordige betekenis is ontstaan onder invloed van het e naam سندروس [sandarūs] voor Tetraclinis articulata.