sandaal
vrouwelijk (de)/sɑnˈdal/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (schoeisel) schoeisel dat bestaat uit een zool met bandenEen sandaal met sleehak.Jesus was er ook bij, een jonge hiker met lang haar, vlassige baard, sandalen en witte kleren.
- , (religie) lange doek met de breedte van de Torarol die vanaf de achterkant ervan met de rol mee wordt gewikkeld
Etymologie
* [2] Herkomst: Portugees, letterlijk: 'sluier'
Vertalingen
Engelssandal
Franssandale
DuitsSandale
Spaanssandalia
Italiaanssandalo
Portugeessandália
Turkssandalet
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek