samenvloeiing

vrouwelijk (de)/ˈsamə(n)ˌvlujɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bij elkaar komen van stromen zodat ze één geheel gaan vormen
    Bovendien, wie zó lang als Shrinivási bij de monding van de Surinamerivier, de samenvloeiing met de Commewijne met het zicht op de zee, gewoond heeft, kan bijna niet anders dan over de (on)eindigheid schrijven.
    Typisch voor Lier is het Spuihuis, dat ter hoogte van de samenvloeiing van de Grote en de Kleine Nete staat; (…)
    De titel ‘Vijfstromenland’ wil de samenvloeiing der grote levensstromen in de toenemende lotsverbondenheid van volken en rassen tot uitdrukking brengen.
  2. figuurlijk (figuurlijk) geleidelijk ontstaan geheel waarvan de onderdelen niet meer te onderscheiden zijn
    Het is smart en aanvaarding van het lot, eigenlijk vooral een samenvloeiing daarvan.
    Zo is het alom: twee kranten in een gebouw betekent samengaan van telefooncentrale, schoonmaakdienst, cantine {{sic!|kantine

Etymologie

* "samenvloeien"