salvo

onzijdig (het)/ˈsɑlvo/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. militair (militair) bewust gelijktijdig afschieten van vuurwapens
  2. als eerbetoon
    De hulde op Paarlberg werd beëindigd met een salvo van acht kanonnen en de menigte zong ‘Die Stem van Suid-Afrika’, met zijn roekeloze en veeleisende woorden: ‘Ons sal lewe, ons sal sterwe, ons vir jou, Suid-Afrika’.
  3. op een vijandig doel
    Men had altijd gedacht dat op 14 april 1945, tijdens de bevrijding van Groningen, een verdwaalde kogel Jantje trof voor het raam aan de Peizerweg, waar hij met zijn oudere broer Joop bij opa en oma logeerde om aan de hongerwinter in Utrecht te ontkomen. De kogel was echter afkomstig van een gericht salvo.
  4. figuurlijk (figuurlijk) gelijktijdig gooien van voorwerpen naar hetzelfde doel
    In 1931 trakteerden de Leuvense studenten koning Albert en koningin Elisabeth op een fluitconcert en een salvo van gekookte appelen.
  5. figuurlijk (figuurlijk) reeks gelijktijdige of snel herhaalde handelingen met eenzelfde doel
    Achteraf beschouwd is de nieuwe versie nauwelijks een ‘tekst’ te noemen maar een eindeloos salvo van replieken, scènewisselingen, knipogen, dubbele bodems, regievondsten, muzikale verrassingen.

Etymologie

*van "salva" "gelijktijdig losbranden van vuurwapens als begroeting", waarbij wellicht verwarring met "salvo" "veilig" is opgetreden, dit kan ook "salve" "gelijktijdig losbranden van vuurwapens tijdens een gevecht" naar het zijn gekomen; in de betekenis "afschieten vuurwapens ter begroeting" voor het eerst aangetroffen in 1592