saamhorigheid

vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het gevoel van samen een geheel te zijn
    Door de voetbal overwinning was de saamhorigheid in de stad weer enorm toegenomen
    De gevolgen van de ramp werden in grote saamhorigheid bestreden.
    " Een andere vrijwilliger uit het dorp zegt dat ze het doet omdat het haar een gevoel van saamhorigheid geeft.

Etymologie

* afgeleid van saamhorig

Vertalingen

DuitsZusammengehörigkeit