saamhorigheid
vrouwelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het gevoel van samen een geheel te zijnDoor de voetbal overwinning was de saamhorigheid in de stad weer enorm toegenomenDe gevolgen van de ramp werden in grote saamhorigheid bestreden." Een andere vrijwilliger uit het dorp zegt dat ze het doet omdat het haar een gevoel van saamhorigheid geeft.
Etymologie
* afgeleid van saamhorig
Vertalingen
DuitsZusammengehörigkeit
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek