rusten
/ˈrʏstə(n)/
Betekenis
werkwoord
- werk of andere activiteit staken om het lichaam in staat te stellen weer op krachten te komenTante Nella is in haar slaapkamer aan het rusten.
- rusten op: steunen op ietsLaat je hand maar op haar rusten.
- rusten op: stilstaan / niet bewegenThea kijkt eerst naar de muilen voordat haar blik naar boven glijdt en even op zijn gezicht blijft rusten.' Clara's blik dwaalt van top tot teen over Thea's verschijning en blijft op haar gezicht rusten.
Etymologie
* In de betekenis van ‘uitrusten, rust nemen’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Uitdrukkingen
- Iets laten rusten — Niet meer opnieuw over een (vaak moeilijk) onderwerp beginnen
- Niet zullen rusten voordat [...] — Iets per se gedaan willen krijgen
Vertalingen
Engelsrest
Fransreposer
Duitsruhen
Spaansreposar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek