ruptuur
vrouwelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (medisch) verscheuring
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘breuk’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1650
Vertalingen
Engelsrupture
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek