ruimtelijkheid
vrouwelijk (de)/ˈrœymtələkˌhɛit/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- mate waarin men de driedimensionale ruimte op het platte vlak kan suggererenNet als in 1996 kregen de leerlingen vorig jaar een verhaal voorgelezen en moesten vervolgens daarbij een tekening maken. Kunsthistorici beoordeelden de tekeningen op onder meer de mate waarin het verhaal overtuigend werd afgebeeld, de volledigheid, de ruimtelijkheid, de sprekende weergave van handelingen en het handschrift.Alleen als je de werken langer bekijkt en ziet hoe de vlakheid van het witte licht een dialoog aangaat met de ruimtelijkheid van de schilderijen, dan besef je dat dit een bewuste keuze van de kunstenares moet zijn geweest.
- mate waarin iets een uitgebreidheid heeftHet resultaat is een modern en markant gebouw. Kenmerkend is de lichtinval, de ruimtelijkheid en het kleurgebruik. Daarnaast valt de menselijke maat van het gebouw op. "Kleine en grote zalen, plekjes waar je kunt zitten en een mooie tuin eromheen", zegt conservator Jet van Overeem.Bewoner Cor Veldt zou dat jammer vinden. Hij ziet de Purmer liever groen. "Ik ben gehecht aan die ruimtelijkheid, hier kan je je zinnen verzetten." Al begrijpt hij wel dat de woningnood dwingt tot dit soort bouwplannen buiten het stedelijke gebied.
Etymologie
* afleiding van ruimtelijk
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek