ruigheid
vrouwelijk (de)/ˈrœyxˌhɛit/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het onregelmatig en wild begroeid zijn; onbewerktHuisman heeft zijn bestemming gevonden. „De bescheiden status, de ruigheid en het avontuur pasten precies bij mijn vrijgevochten natuur. Ik voelde me als een vis in het water. Reformatorisch Dagblad Teo van den Brink 09-09-2013 [https://www.rd.nl/meer-rd/cultuur-geschiedenis/wat-de-meute-afdankt-legt-jopie-huisman-vast-1.335837 Wat de meute afdankt, legt Jopie Huisman vast]Dit park is zeer ruig, dieprood gekleurd met natuurlijke bogen, riffen, schoorstenen en witte Capitool achtige domes. Het lieflijke Fruita compenseert deze ruigheid weer een beetje. Een oase van groen met een oud schoolgebouwtje van de mormonen. Hier kun je zelf perziken plukken en natuurlijk lekker meteen lekker opeten. Dit park kom je tegen onderweg vanaf Bryce naar Arches National Park. De Telegraaf WENDY ROEP 19 feb. 2013 [https://www.telegraaf.nl/nieuws/1133998/top-5-nationale-parken-in-de-usa-canada Top 5 Nationale Parken in de USA & Canada]
Etymologie
* afleiding van ruig
Vertalingen
Engelsroughness
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek