rug
mannelijk (de)/rʏx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (anatomie) zijde van de romp tegenover de buik en borst gelegen; bij mensen aan de achterzijde en bij andere dieren aan de bovenzijde gelegenIk wilde met mijn hele hebben en houden op mijn rug in de overweldigende wildernis van Amerika slapen onder de sterren, nieuwe mensen ontmoeten, alleen met mijn gedachten door de bossen lopen en de vrijheid hebben om te gaan en te staan waar ik wilde.
- achterkant
- dat gedeelte van een boek waar de bladen bij elkaar komen
- rode ~: biljet van 1000 gulden
- achterkant van een bankbiljet
- (geologie) hoger liggend, lang gerekte landsvorm (ook onder water)
- (meteorologie), een langgerekt gebied met hoge luchtdruk
Etymologie
* In de betekenis van ‘achterzijde’ voor het eerst aangetroffen in 901
Uitdrukkingen
- Een brede rug hebben — Veel kunnen verdragen
- Men moet een paard de rug niet stuk rijden. — Men moet niet te veel eisen van een ander
- Achter de rug — Voorbij
- Achter iemands rug om — Buiten iemands weten om
- Dat zal mij aan mijn rug roesten! — Dat kan mij niets schelen!
- De rillingen lopen mij over de rug. / Het loopt mij koud over de rug. — Ik huiver bij de gedachte hieraan.
- Door zijn rug gaan — Door een ongelukkige beweging letsel aan de ruggengraat oplopen.
- Een rode rug — 1000 gulden
Vertalingen
Engelsback, mountain ridge
Fransdos
DuitsRücken
Spaansespalda, lomo
Italiaansschiena, dorso, schiena
Portugeescostas, lombo
Russischспина
Turkssırt, bel, arka
Poolsplecy
Zweedsrygg
Deensryg
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek