rouwbrief

mannelijk (de)/ˈrɑubrif/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bericht aan vrienden, bekenden en familieleden waarin staat dat iemand is overleden en wanneer men afscheid kan nemen
    Ooit was ik met een familie de rouwbrief van hun vader aan het opstellen, toen ik telefoon kreeg: hun moeder was in die paar uur tijd ook overleden. Oude mensen die al heel hun leven samen zijn, sterven al eens van verdriet. de Standaard 11 AUGUSTUS 2016 Catherine De Kock
    Een van haar foto's zal op de grafkist staan. Máxima aanvaardt twee van de foto's en een rouwbrief als geschenk zodat ze een gezicht bij de naam Netty heeft. Willem-Alexander geeft een voorzet om over de dader te praten, maar als blijkt dat die voor de familie geen onderwerp is, laat hij het erbij. Tubantia 06-mei-2009
    PostNL heeft een mooie service: op internet kun je de gescande brief bekijken en meteen betalen. De scan laat tot onze grote schrik een rouwbrief zien. Volgens de gegevens op de website is die rouwbrief al 4 dagen in het bezit van PostNL voordat wij de claim voor strafporto krijgen', mailt Patrick Marx uit Maastricht. Hij krijgt veel excuses van een PostNL-medewerkster, maar de rouwbrief is nooit bezorgd. Joke Huisman uit Hoogeveen kreeg een in september verstuurde rouwbrief uit Wachtum (ook Drenthe) niet. Dat hoorde ze vanwege haar nieuwjaarskaart aan het echtpaar, waarvan de man al drie maanden geleden was overleden. Volkskrant 9 februari 2013

Vertalingen

Engelsmourning card